Welkom op i-lovebirds.nl
Soorten
Vererving
A.roseicollis mutaties
A.fischeri mutaties
A.personatus mutaties
A.nigrigenis mutaties
A.lilianae mutaties
A.taranta mutaties
meewerkende kwekers/liefhebbers
Wie ben ik?
te koop/gevraagd/ruilen
Evenementen/reporter
Links
contact
Forum
Inleiding
Agapornis roseicollis
Agapornis fischeri
Agapornis personatus
Agapornis nigrigenis
Agapornis lilianae
Agapornis pullarius
Agapornis taranta
Agapornis canus
Agapornis swindernianus
Soorten

Inleiding

De soorten



De agapornissen  vinden hun leefgebieden in Afrika en worden veelal waargenomen in kleine familiegroepen.
De vogels hebben merendeel een groen verendek en vallen amper op als zij rusten in de bomen, maar het luidruchtige gekwetter geeft hun aanwezigheid prijs. De voeding bestaat voornamelijk uit zaden, vruchten, bladknoppen en insecten die ze tijdens het foerageren tegenkomen.
In totaal zijn er 9 soorten Agaporniden die in verspreid over het Afrikaanse continent leven.           
                         
                                                                 Continent Afrika

Taxonomische indeling

  • Rijk             Animalia (Dieren)
  • Stam          Chordata (Chordadieren)
  • Klasse        Aves (Vogels)
  • Orde           Psittaciformes (Papegaaiachtigen)
  • Familie      Psittacidae (Papegaai)
  • Geslacht    Agapornis (Dwergpapegaai)

Indeling:



De agapornis met de witte oogring;
  • Agapornis personatus
  • Agapornis fischeri
  • Agapornis nigrigenis
  • Agapornis lilianae
De agapornis zonder witte oogring;
  • Agapornis roseicollis roseicollis: ondersoort roseicollis catumbella.
  • Agapornis canus: ondersoort canus ablectaneus.
  • Agapornis taranta taranta: ondersoort taranta nana.
  • Agapornis pullarius:ondersoorten pullarius ugandae & (?pullarius guineensis?).
  • Agapornis swindernianus: ondersoorten swindernianus zenkeri & swindernianus emini.

Agapornis roseicollis Agapornis Roseicollis


Deze soort wordt beschouwd als de overgangsvorm tussen de agaporniden van de seksueel dimorfische groep en de agaporniden met de witte oogring
(seksueel dimorfisch = uiterlijke verschillen tussen beide geslachten)
                                                            
      
De Agapornis roseicollis roseicollis werd ontdekt in 1793, maar pas beschreven en erkend in 1818, omdat men dacht dat men te maken had met een ondersoort van de Agapornis pullarius.
In 1905 werd de Agapornis roseicollis catumbella ontdekt en beschreven en erkend in 1955 als ondersoort van de nominaatvorm en leeft in het zuidwestelijke deel van Angola.

De overwegend groene Agapornis roseicollis zijn ongeveer 15 cm groot en weegt tussen de 40 en 60 gram.
Het masker is donkerrood op het voorhoofd en loopt geleidelijk over tot dieproze onder de snavel.
De stuit is blauw de poten zijn grijs en de nagels donkergrijs tot zwart, snavel is hoornkleurig.
Er is geen uiterlijk verschil tussen de beide geslachten.
 
De ondersoort catumbella is iets kleiner van formaat, wat intenser van kleur en heeft een lichtoranje snavel.
Verder is er geen uiterlijk verschil met de nominaatvorm. 

De Agapornis roseicollis leven in het Zuidwesten van Afrika, de Namibwoestijn en Angola.
Hier leven ze in groepen van 20 a 30 vogels en voeden zich met groenten, fruit, sommige grassoorten en zaden.
Vaak broeden ze in verlaten wevernesten van de (Philetarius socius) koloniewever en de (Plocepasser mahali) Mahaliwever. Wevers maken gemeenschapsnesten met daarin tientallen, soms wel 100 broedkamers.
De A.roseicollis deinst er niet voor terug de wevers te verdrijven en de nest-               
-gelegenheden in te pikken.
Als ze daarin gaan nestelen, dragen ze geen nieuw nestmateriaal aan.
Soms nestelen ze in holten van bomen of gebouwen, hierin maken ze dan een nest op hun unieke manier.
De poppen steken reepjes takken en stukjes schors tussen de bevedering van de staart en de bovenstaartdek en brengen dit naar hun nest, waar ze een bolvormig nest van maken.


foto: Doug Kelson, Erongo Wilderness Lodge




                                                                                   Foto is gemaakt door: Doug Kelson, Erongo Wilderness Lodge. Namibie.
                                                              bron: Parkietensociteit & Wikipedia
Agapornis fischeri

Agapornis fischeri


De  Agapornis fischeri werd voor het eerst beschreven in 1887 door Reichenow. Deze Agapornis vinden in het noorden van Tanzania, voornamelijk in de buurt van het zuidoostelijke deel van het Victoriameer, de Serengeti en het Nationaal park Arusha. Waarschijnlijk hebben de vogels een opmars in zuidelijke richting ingezet naar Ruanda en Burundi.

Door de inheemse boeren worden ze met alle mogelijke middelen van hun land gehouden, aangezien de vogels nogal wat schade aanrichten aan de landbouwgewassen.
De Agapornis fischeri leeft in familiegroepen op de savannen en kan men ze aantreffen op een hoogte van 1000 tot 1500 meter, waar grote temperatuursverschillen voorkomen en periodes van langdurige droogte.

De fischeri is ongeveer 15 cm groot en broedt in boomholten en verlaten nesten.
Als nest materiaal gebruiken ze dunne twijgen, bladeren en schors die in lange stroken worden geknaagd Het is  het vrouwtje dat het grootste aandeel heeft in het bouwen van het nest, dat redelijk groot is en voorzien is van een overkapping en zij-ingang.

Rond 1925 werden ze voor het eerst ingevoerd in Amerika, waarnaar ze rond 1928 in diverse landen in Europa verschenen.
Nu zijn er diverse mutaties bekend onder de fischeri

                                                                                                   .
Bronnen: Parkietensociteit & Wikipedia
                                                                                                         
                                                                                                                          

Agapornis personatus

Agapornis personatus


Deze agapornidesoort werd voor het eerst beschreven in 1887 door Reichenow.
We vinden hem in het binnenland van oostelijk Tanzania, waar ze leven op de uitgestrekte grassavannes.
Het gebied loopt noordwaarts tot het Manyarameer en de zuidelijke Massaisteppe.
De zuidelijke begrenzing wordt gevormd door het land ten noorden van het Nyassameer.
Ze worden ook wel elders waargenomen zoals in Kenia, hier gaat het om ontsnapte exemplaren, die zich er prima kunnen redden.

De personatus is 15 cm groot en beide geslachten zijn gelijk van kleur.
Ze leven buiten de broedtijd in groepen van 20 tot 80 exemplaren om gezamelijk naar voedsel en drinkplaatsen te zoeken.
Oude apebroodbomen hebben de voorkeur om te nestelen, maar kieskeurig zijn ze niet, verlaten zwaluwnesten en onder daken nestelen ze ook.
Evenals bij de fischeri worden er reepjes twijg, schors em dergelijke gebruikt door de pop om het nest te bouwen.
                             

De fraaie kleuren zijn een lust voor het oog.
De eerste mutatie(blauw) is in het wild gevangen in 1927, deze is in het bezit gekomen van de London Zoo, waar er in 1929 geslacht van deze bijzondere vogel werd verkregen.


                                                                 foto`s gemaakt door: Werner Suter, Tarangira NP in Tanzania. 2008
                                                                                & Peter Nilsson,Dar es Salaam, Tanzania,2004
                                                                                Bron: Parkietensociteit & Wikipedia.
Agapornis nigrigenis Agapornis Nigrigenis


De nigrigenis werd ontdekt en beschreven in 1904 door Dr Kirkman.
Al vrij kort daarna werden de eerste exemplaren naar Europa verscheept.

Deze soort heeft het kleinste verspreidingsgebied en vinden we in het zuidwesten van Zambia en net over de grens in het noordelijke deel van Namibie, Botswana en Zimbabwe.
Eigenlijk vind je deze vogels op het vierlandenpunt waar de rivier Zambezi en rivier Razungula samen komen.
Wanneer voedsel en water schaars worden, verlaten ze hun vertrouwde omgeving en trekken zuidwaarts.

Ze leven in familie groepen die bestaat uit 10 to 20 vogels die tijdens het foerageren luidruchtig contact met elkaar houden.
De vogels gebruiken holtes in bomen om te broeden, maar ook nestgelegenheden waar personatus en fischeri gebruik van maken. Ook bij deze soort is het vrouwtje voornamelijk verantwoordelijk vor het bouwen van het nest.
Het is een van de kleinere soorten met een lengte van 13 cm, de man en pop zijn gelijk gekleurd.

                                                                               
bron: Parkietensociteit & Agapornissen
Agapornis lilianae Agapornis lilianae 


De lilianae werd voor het eerst beschreven door Shelby in 1894.
We vinden deze vogels in het zuidwesten van Tanzania tot het noordwesten van Mozambique en in zuidwestelijke richting in Malawi tot het noordelijk deel van Zimbabwe.
Het is de kleinste soort van zijn geslacht en helaas steeds minder talrijk in zijn natuurlijke leefomgeving.
Ze leven in groepen van 20 tot 200 exemplaren in de buurt van rivieren en meren met een dichte bebossing langs de oevers.
In de broedtijd splitsen ze zich in kleinere groepen en zoeken nestgelegenheden in natuurlijke holten of verlaten wevernesten.
Er worden takjes en bladeren van palmen gebruikt door de pop om het nest te maken.

In de jaren van de vorige eeuw was het een van de meest voorkomende soorten en het makkelijkst te kweken, in 1933 kweekte men zelfs de eerste mutatie(lutino)
Door de tweede wereldoorlog werden de vogelbestanden bijna tot nul gereduceerd.

                                                                                    
                           Bron: Parkieten sociteit & Wikipedia 
                                                                                               Foto gemaakt door: Fokelien Boer,South Luangwa Park, Zambia
Agapornis pullarius Agapornis pullarius.

Deze is ongeveer 15 cm groot en daarmee op de A. canus na de kleinste van de agaporniden.
Ze komen voor in het evenaargebied van West en Centraal Afrika.

Bij de volwassen man is het voorhoofd, schedeldek, de wangen en de bef oranjerood.(bij de pop is deze bleker)
De algemene lichaamskleur is groen, borst, buik, flanken en anaalstreek zijn meer geelachtig groen met een groene mantel. Het vleugeldek is groen en geeft een wat gehamerde indruk.

Bij mannetjes zijn de vleugelranden vanaf de vleugelbocht een mengeling van donker ultramarijnblauwe en enkele hemelsblauwe veertjes (wat bij de pop ontbreekt), de ondervleugeldekveren zijn zwart en de stuit is hemelsblauw. De snavel is tomaatrood en deze vogel heeft grijze poten met donkergrijze nagels.
De grote staartveren vertonen een roodgeel, zwarte dwarstekening. De ondersoort Ugandae die voorkomt in Oeganda, verschilt door de blekere blauwe stuit.

Ze leven in groepen of kleine kolonies of paarsgewijs in uitgestrekte schaars beboste gebieden, waar ze zich tegoed doen aan de graszaden die daar voorkomen.
Om te nestelen maken ze gebruik van termietenheuvels, hierin graaft de pop een nestkamer uit, waar ze haar eieren legt. De eigenschap van zo`n heuvel is dat het binnenin een redelijk constante temperatuur heeft en hierdoor kunnen de poppen tijdens het broeden wat vaker en langer het nest verlaten.
Om deze eigenschappen te waarborgen gebruiken kwekers van de A. pullarius kurk in de broedblokken. 


                                                                foto:Robert van Zalinge,Mabiri bos, Uganda
                                                                          bron: Parkietensociteit & Agapornissen
                                                                          foto is gemaakt door: Robert van Zalinge, Mabirabos, Oeganda.
Agapornis taranta Agapornis Taranta

De agapornis Taranta kent 2 soorten, namelijk de Agapornis Taranta Taranta en de Agapornis Taranta Nana.
De laatst genoemde  schijnt voor te komen in het zuiden van Ethiopie en zou iets kleiner zijn dan de A. Taranta Taranta.
Deze vogels worden alleen gevonden in een klein deel van Afrika, hoofdzakelijk in de bergregionen van Ethiopie op een hoogte tussen de 2800 en 3000 metr boven de zeespiegel.
Deze kleine vogels zijn zeer gehard, aangezien hun leefgebied hoog in de koude bergen ligt alwaar de temperatuur `s nachts gemakkelijk onder het vriespunt kan dalen en `s middags een hoogte kan bereiken van boven de 34 graden.
                                                                                                      
De hoofdkleur van het lichaam is emeraldgroen, zoals de rug en de vleugels, die een metaalachtig schijnsel vertonen in de zon.
De mannen hebben een helder rood voorhoofd, terwijl een ringetje van rode veertjes het oog en rode snavel omringt. Op de wangen zien we een bruingele zweem tussen de veren.
De vleugelpennen zijn aan de onderkant zwart, vooral bij de mannen.
Een volgroeide man is ongeveer 16 cm lang en weegt ongeveer 65 gram, de poppen zijn iets kleiner, bezitten geen rode veren en wegen rond de 56 gram.

Het voedingspatroon van deze vogels die in het wild leven kan behoorlijk verschillen.
Zo eten ze kleine zaden van bepaalde savannegrassen en zijn ze steeds op zoek naar vijgen.
Kleine groepen van 30 a 40 vogels kan men veelvuldig aantreffen tussen de bessen van de Juniperboom, die in grote hoeveelheden genuttigd zeer giftig kan zijn voor vogels en andere kleine dieren.
Juniperbessen bevatten een zeer hoog gehalte aan vitamine B, wat de vogels hard nodig hebben.

De uitverkorene nestplaats is meestal een kleine kloof in de rotsen of in een dode boomtak, als ze het ideale nest hebben gevonden wordt het niet alleen gebruikt om in te kweken, maar dient ook verscheidene jaren als slaapplaats.
het nest bestaat uit een mengsel van gras, schors en de borstveren van de pop, een normaal legsel bestaauit 4 eieren die de pop vanaf het 2e bebroedt.


                                                                                                                                           bron: Parkietensociteit & Wikipedia.
                                                         Foto`s zijn van: Bayou Elias, Addis Abeba, Ethiopie & Jason Anderson, Karibosa, Iritrea. 
Agapornis canus Agapornis canus
Deze soort is seksueel dimorf, dat houdt in dat er aan het uiterlijk het geslacht af te lezen valt.
De mannelijke heeft een grijze kop/hals en borst, vandaar de naam `grijskop dwergpapegaai`, donkergroen zijn de vleugels en rug met daaronder een appelgroene stuit.
Het vrouwtje is in haar geheel groen en wijkt daarmee dus af van de mannelijke geslacht. Deze soort wordt ongeveer 13 cm groot die op Madagascar voorkomt.

De ondersoort A. canus ablectanea komt voor in de droge zuidwestelijke gebieden van Madagascar en op het eiland Rodriquez. Deze is te onderscheiden door de donkergroene kleuring over het gehele lichaam en de meer uitgesproken grijze tint op de kop van de man.

Het blijken in gevangenschap schuwe vogels, dit kan te maken hebben met het feit dat ze van oorsprong bosvogels zijn en erg zijn gesteld op rust en bescherming.
                                                                                       
                                                                   
                                                                                                Foto: Jaqcues Erard, Ampijora, Madagaskar 2006
                                                                                                                                            Bron: Parkietensociteit & Wikipedia.
Agapornis swindernianus

Agapornis swindernianus


Deze bijna 14 cm grote vogel komt voor op de lijst van beschermde dieren ingevolge de Wet Bedreigde Uitheemse Diersoorten.
Zijn latijnse naam kreeg hij van Kuhl in 1820, die hem noemde naar Theodoor van Swinderen, hoogleraar aan de universiteit in Groningen.

De hoofdsoort leeft in Liberia en de beide ondersoorten zenkeri & emini respectievelijk in het gebied van Kameroen tot Centaal Afrika en in het Ituri en Semliki district in Zaire.                                                                                                                                        
                                                                        
                                                                                                       foto:Stephane Bocca,Kakum National Park, Ghana 2008

Beide geslachten zijn gelijk van uiterlijk, hoofdzakelijk groen met een karakteristieke zwart gekleurde halve kraag aan de basis van de nek.
Onder die kraag vinden we chroomgele veren welke uitlopen rond de randen van de borst. De romp, bovenstaartdekveren en onderstaartdekveren zijn helderblauw, terwijl de vleugelslagpennen zwart zijn. De iris is geel en de snavel hoornkleurig.

Bij de ondersoort Agapornis swindernianus zenkeri  blijkt het hele gebied rond de kraag te zijn vervangen door oranje veren en is het hele lichaam wat donkerder groen.
De emini verschilt door een kleiner oranje gekleurd gevederte en een meer gebogen snavel.

De Agapornis swindernianus is in gevangenschap geheel onbekend.

                                                                                                                                       bron: Agapornissen.

0 items total